nieuws

De hypothese na 4 jaar nevelstadprojecten

Nevelstad: tussen stad en platteland

Toen Kind & Samenleving in 2013 werkte rond ‘Speelweefsel in landelijke gebieden’ begon het te dagen: in Vlaanderen staat de ruimte onder druk. De suburbanisatie knaagt aan informele speelruimte en open ruimte rond jeugdwerksites. Tussen 2013 en 2016 begeleidde Kind & Samenleving in 13 gemeenten inspraakprocessen over hoe kinderen en jongeren (10 tot 15 jaar) het ervaren om te wonen in ‘Nevelstadgebieden’, de zone tussen stad en platteland waar de veranderingen zich het sterkst laten voelen.

  • Hoe bewegen zij zich tussen die uitgestrekte woonlinten en verkavelingen?
  • Welke ruimtelijke en sociale veranderingen voelen zij?
  • Met welke uitdagingen krijgen tieners te maken?
  • En hoe denken zij over betonstop en verdichting?

Ook al zijn de resultaten van zo’n onderzoek nooit definitief of compleet, toch zagen ze een aantal centrale thema’s. Natuur & Mens was aanwezig tijdens de voorstelling van 18/12 waar Kind & Samenleving de hypothese van vier jaar nevelstadprojecten presenteerde.

“Tieners zien hun (informele & rommel)plekjes meer en meer verdwijnen en zelden worden ze daarbij betrokken. Alles raakt volgebouwd. Nieuw groen is strak, netjes en braaf. Groeit daar de weerstand tegen verdichting?”

Johan Meire (Kind & samenleving)

Hoe beleven tieners wonen in de nevelstad?
Belang van duidelijke plekken en voorzieningen

  • Of er voldoende of te weinig betekenisvolle, gedeelde centrale plekken zijn, maakt veel uit voor kinderen en jongeren (zich thuis voelen, veel buiten (mogen) komen…). Het sportcentrum, welkom in winkels/horeca, rondom gemeenschapsvoorzieningen (bv. jeugdwerk), station en haltes rond openbaar vervoer… zijn belangrijke plekken die tieners aangeven. Nevelgemeenten hebben deze plekken vaak tekort of ze zijn te verspreid. De nabijheid van een bereikbare stad vangt dit deels op. Jongeren die vlot betekenisvolle plekken kunnen benoemen, ervaren een grotere verbondenheid met de gemeente.
  • Jongeren aanvaarden een gebrek aan voorzieningen als de basis er is, maar aanvaarden het niet wanneer betekensvolle plekken verdwijnen.
  • Tieners willen (gebruiks!)groen in de kernen.
    Groen moet dichtbij zijn én mag geen zichtgroen zijn.
  • Een andere vaststelling is dat sommige tieners (vooral meisjes) bijna geen gebruik maken van de publieke ruimte.

Mobiliteit

  • De fietscultuur is per gemeente zeer uiteenlopend, maar algemeen fietsen jongeren graag!
    Ze fietsen veel in de eigen gemeente, maar minder buiten de gemeente (=veel groeipotentieel).
    Vooral gewestwegen worden als onveilig beschouwd. Nood aan veilige, aangename routes.
  • Kinderen spreken vaker over verkeersonveiligheid als belemmerende factor. Tieners minder.
    Zij spreken vooral over wat lastig is: saaie en te lange routes met de fiets en veel kritiek op openbaar vervoer:
    – voldoende frequentie is nodig (ook buiten de spits en niet alleen op grote assen)
    – bereidheid tot nemen van de bus, maar vertragingen zijn grootste boosdoener
    De auto wordt zelden als een probleem gezien of ervaren.
    De trein wordt niet genoemd als vervoersmiddel (te duur? frequentie?)
  • Tieners die veel fietsen kennen hun gemeente beter.
  • Vooral middenklasse jongeren vinden het normaal dat ze naar activiteiten met de auto worden gevoerd.

Identiteit en verbondenheid met de gemeente

  • Feesten en evenementen maken de gemeente!
  • Kleine kernen zijn geliefd en zorgen voor een positief dorpsgevoel.
    Bij uitgestrekte nevelgemeenten ervaren jongeren geen écht dorp, daar ontstaat meer een praktische binding.
  • Onderscheid aantrekkingspool <> er dagelijks leven
    Wie bijvoorbeeld dichter bij Gent woont of er naar school gaat is ook gerichter op Gent, wie verder weg woont komt graag eens naar Gent, maar is vooral tevreden in de eigen gemeente.
    Tussen stad en platteland ervaren ze als ideaal: tieners zijn gesteld op hun rust, thuiskomen in hun dorp.
  • Vaak ambigu: weinig binding maar er toch graag wonen
    Ergens graag wonen kan toch samengaan met een zwakke verbondenheid met de gemeente (scholen en jeugdwerk zorgden daar vaak nog wel voor) en een gebrek aan goeie plekken voor jongeren.

“Als je jongeren wil overtuigen  om dichter te gaan wonen,
gebruik dan niet het woord Appartement”    

WOUTER VANDERSTEDE (KIND & SAMENLEVING)

Hoe zien tieners wonen in de toekomst?
Mobiliteit: er is draagvlak voor autoluwer wonen, maar…

  • Voldoende en goede frequentie (openbaar vervoer)
  • Trams niet vlakbij woningen (hinder)
  • Veilige en aangename fietsverbindingen
  • Auto wegdenken is een stap te ver
  • Bij een aantal tieners komt er stilaan een draagvlak voor een autoluwe woonomgeving:
    het niet meer kunnen parkeren aan de woning mits enkele randvoorwaarden (bv. niet te ver…)

<> Bepaalde groep is niet te overtuigen van duurzame mobiliteit.
Enige opening ‘veiligheid’ van jouw (toekomstige) kinderen.
Hoe jonger, hoe meer voorkeur voor autovrij.

Dichter wonen = lastig

  • Jongeren willen een voldoende ruime woning (bv. duplex)
  • Privacy is heilig. Ze willen een eigen afgesloten privé; tuintje, inpandig terras…
    Gekke vaststelling in tijden waarop tieners sociale media als verlengstuk van zichzelf zien.
    Hebben ze een andere definitie van ‘privacy’?
  • Niet te dicht bij elkaar (groene ruimte tussen woninggroepen), urban villa’s
    Een grote groep tieners kijkt negatief naar gemeenschappelijke ruimte en vreest conflicten.
  • Veel goede en jeugdvriendelijke publieke ruimte
  • Hedendaagse loft-architectuur en discrete vormgeving genieten de voorkeur.
    Niet allemaal hetzelfde en niet te grijs.
  • Groen uitzicht is belangrijk. Gebruiksgroen en ‘rommelplekjes‘ zijn cruciaal

Er is veel weerstand tegen collectieve semi-private ruimte
Een appartement is voor velen een stap te ver.

Een inspraaktool voor het gemeentelijk meerjarenplan

Na de gemeenteraadsverkiezingen in oktober 2018 starten gemeentebesturen de opmaak van hun meerjarenplan. Dit is het belangrijkste beleidsinstrument voor de komende zes jaar. De stem van jeugd mag daarin niet ontbreken! In ‘Hoe zot is ons dorp?’ vind je eenvoudige methodieken om met kinderen en tieners in gesprek te gaan over hun (deel)gemeente. Per beleidsthema zijn er concrete acties voor een integraal jeugdbeleid opgesomd.

Leave a Comment

%d bloggers liken dit: