Tuintherapie en anorexia nervosa.

Kan tuintherapie stress verminderen bij patiënten met anorexia nervosa? Wat is de impact van het olfactorisch systeem en welke tuintherapeutische activiteiten kan je doen?

Achtergrond en doel van de studie

Het onderzoek van Curzio et al. bekijkt of tuintherapie (horticultural therapy) kan helpen om zowel psychologische als lichamelijke of fysiologische stress te verminderen bij adolescenten die lijden aan anorexia nervosa.

Anorexia nervosa is een ernstige psychiatrische aandoening die onder andere gekenmerkt wordt door een verstoorde relatie met eten (bijvoorbeeld zelfopgelegde voedselrestrictie), een intense angst om aan te komen en een vertekend lichaamsbeeld. Naast deze symptomen ervaren patiënten vaak ook verhoogde niveaus van stress, zowel mentaal als fysiek. Daarom is het belangrijk om behandelingen te vinden die niet alleen gericht zijn op eetgedrag, maar ook op stressregulatie.

In deze studie onderzochten de auteurs het effect van tuintherapie bij een groep adolescenten met anorexia nervosa als aanvulling op een standaardbehandeling, in vergelijking met een controlegroep die alleen een standaardbehandeling kreeg.

Specifieke doelen van deze studie waren:

  • impact van tuintherapie bekijken op de kernpathologie van anorexia nervosa en op andere gerelateerde psychiatrische verstoringen
  • nagaan of er door de sessies tuintherapie een verandering optreedt in het stressniveau, via metingen van autonome parameters zoals hartslag, HRV, huidgeleiding en thermografie van het gelaat
  • exploratie van het olfactorisch functioneren en de relatie hiervan met het functioneren van het autonoom zenuwstelsel. Geven bepaalde eetbare en niet-eetbare geuren angst en stress en heeft tuintherapie hier een impact op?

Tuintherapie is een interventie gebaseerd op activiteiten met planten en natuurlijke elementen, die onder andere wordt toegepast om het psychologisch welzijn te verbeteren. Eerdere studies suggereren dat contact met de natuur stress kan verminderen en een positief effect kan hebben op zowel mentale als lichamelijke gezondheid.

Onderzoeksopzet en methode

De verkennende studie van Curzio et al. werd uitgevoerd bij een kleine groep van 12 adolescente meisjes met anorexia nervosa van het restrictieve type die opgenomen waren in een klinisch behandelprogramma.

Zes van hen vormden de experimentele groep die deelnam aan een reeks sessies tuintherapie als aanvulling op het conventionele behandelprogramma. De zes anderen namen enkel deel aan het conventionele behandelprogramma en vormden de controlegroep.

Beide groepen waren gematcht op leeftijd, BMI, ziekteduur en medicatie.

Inclusiecriteria voor deelname aan de studie waren een diagnose van anorexia nervosa van het restrictieve type en een stabiele klinische toestand.
Exclusiecriteria voor deelname aan de studie waren zeer ernstige anorexia nervosa (BMI <16 met sondevoeding) of een ernstige psychiatrische comorbiditeit.

De conventionele behandeling, waar zowel de controle- als de experimentele groep aan blootgesteld werd, bestond uit multidisciplinaire standaardzorg met lichamelijke, nutritionele, psychologische en psychiatrische interventies, inclusief voedingsadvies, psychotherapie en medicatie waar nodig.

De aanvullende sessies tuintherapie, waaraan dus enkel de experimentele groep werd blootgesteld, bestonden uit gestructureerde sessies waarin de deelnemers actief met planten en natuurlijke materialen werkten. Dit gebeurde telkens in groepjes van twee. Hierbij werd afgewisseld tussen drie stations. Alles gebeurde onder begeleiding van mensen met expertise in groen en mensen met expertise in therapie.

Wat hield de tuintherapie precies in?

De tuintherapie bestond uit een gestructureerd, 12 weken durend programma met 24 sessies (tweemaal per week, elke sessie ongeveer 45 minuten).

De activiteiten vonden plaats in de tuin en/of een kas van de klinische revalidatie-eenheid voor eetstoornissen van een instelling in Toscane, Italië, onder begeleiding van mensen van de faculteit landbouw van de universiteit van Pisa en klinische begeleiders van de instelling zelf.

Belangrijkste elementen van de interventie:

Drie werkstations om verschillende zintuiglijke prikkels aan te bieden (zonder specifieke zintuigtraining):

  1. Kleurenstation: planten met opvallende kleuren, zoals strandwinde (Ipomoea violacea), lupine, schildzaad (Alyssum), goudsbloem (Tagetes), leeuwenbek (Antirrhinum) en zonnebloem
  2. Geurstation: aromatische kruiden en planten met sterke geuren, zoals salie, lavendel, citroenmelisse, bergsteentijm, peterselie en basilicum
  3. Vormstation: groenten met verschillende vormen en texturen, zoals spruitjes, bloemkool, pompoen, radijs, Romeinse sla en courgette

De planten werden allemaal gekozen op basis van hun diversiteit in kleuren, geuren, vormen, zaadgrootte en groeisnelheid.

Deelnemers werden in kleine subgroepjes van 2 personen per station ingedeeld en wisselden wekelijks van station, zodat iedereen alle soorten zintuiglijke stimulatie kon ervaren.

Structuur van de sessies:

  • Eerste sessie: kennismaking, verdelen van rugzak, pet, notitieboek en potloden, uitleg over tuingereedschap (zaden, potten, substraat, gieter, mest, labels), presentatie van het programma en een boekje met plantennamen, foto’s en teelttips
  • Vervolg­sessies: voorbereiding van substraat, vullen van potten, zaaien, labelen, water geven, verpotten, bemesten en algemene plantenzorg. Er werd veel nadruk gelegd op het observeren en ervaren van de groei van de planten

Activiteiten waren hands-on en interactief: patiënten leerden planten verzorgen, wat een gevoel van verantwoordelijkheid en verbinding met levende wezens geeft.

Zintuiglijke en therapeutische aspecten:

  • Sterke focus op olfactorische (geur)stimuli, omdat geuren van planten (vooral kruiden) mogelijk de voedselselectiviteit bij anorexia nervosa zouden kunnen beïnvloeden en positieve emoties zouden kunnen oproepen
  • Blootstelling aan natuur verlaagt waarschijnlijk stress door het verminderen van autonome arousal (via het parasympathisch zenuwstelsel) en helpt bij het loslaten van controle en het verdragen van onvoorspelbaarheid en imperfectie (planten groeien niet altijd perfect)
  • Aan het einde kregen de deelnemers een officieel “groene vingers”-certificaat. De controlegroep kreeg een certificaat van deelname en inzet (om motivatie gelijk te houden)

Hoe en wat werd er precies gemeten?

Bij de opstart van de studie en na afronding werden bij de twaalf meisjes verschillende zaken nagegaan.

Voor en na het onderzoek werden vragenlijsten afgenomen om op psychologisch vlak hun eetstoornissymptomen, lichaamsonbehagen en depressieve klachten in kaart te brengen.

Daarnaast ondergingen alle deelnemers bij aanvang en na afloop fysiologische testen zoals een baseline-elektrocardiogram met een draagbare borstband voor het registreren van hartslag en hartslagvariabiliteit, registratie van huidgeleiding en thermische mapping van het gezicht.

Tot slot werd een olfactorische test afgenomen om geuren te identificeren terwijl autonome reacties van eventuele stress of angst op deze geuren gemeten werden.

Meer specifiek werden volgende metingen bij aanvang en na afronding uitgevoerd:

  • Psychometrisch: EDI-3 (Eating Disorder Inventory), BUT (Body Uneasiness Test), CDI (Children’s Depression Inventory)
  • Fysiologisch: baseline-ECG met draagbare borstband (hartslag en HRV), huidgeleiding (GSR), gezichtsthermografie met infrarood camera
  • Olfactorische test: identificatie van 12 geuren (6 gerelateerd aan eetbare en 6 aan niet-eetbare dingen) met gelijktijdige meting van autonome respons

Belangrijkste bevindingen over de tuintherapeutische interventie

In vergelijking met de controlegroep was er bij de experimentele groep een afname van stress (gemeten door biologische markers) zichtbaar na verloop van de sessies tuintherapie.

Daarnaast namen het gevoel van lichaamsonbehagen en affectieve problemen sterker af bij de meisjes die tuintherapie hadden gevolgd. Zo was er in de testen een verbetering op psychologische factoren zoals drive for thinness, body dissatisfaction, interpersonal insecurity en affective problems.

Merk op dat dit kerndimensies zijn die eetstoornissen mee in stand kunnen houden.

Hoewel proefpersonen tijdens de sessies tuintherapie meer blootgesteld werden aan geuren van planten, zonder specifieke training van geurherkenning, vertoonden zij geen verbetering in het herkennen van geuren na de behandeling.

Wel was er een vermindering van stress als reactie op de aangeboden geurstimuli na de behandeling, en dit enkel bij de experimentele groep die tuintherapie had ondergaan.

Interpretatie van de resultaten en beperkingen van de studie

Tuintherapie lijkt stress te verminderen bij adolescenten met anorexia nervosa van het restrictieve type, zowel psychologisch (mentaal) als fysiologisch (autonoom zenuwstelsel).

Dit kan te maken hebben met blootstelling aan natuurlijke prikkels, positieve zintuiglijke ervaringen (kleuren, vormen, geuren), de aandacht die verlegd wordt van de eetstoornis naar de activiteit, het verzorgen van andere levende organismen (wat kan leiden tot minder focus op het eigen lichaam/gewicht), het cultiveren van geduld en het leren aanvaarden van imperfectie en onvoorspelbaarheid (planten groeien in hun eigen tempo en zijn niet perfect), het bieden van structuur en routine (wat rust kan geven), vertoeven in een rustgevende omgeving (wat kan bijdragen aan emotionele regulatie) en fysieke betrokkenheid, waardoor opnieuw contact wordt gemaakt met het eigen lichaam op een positieve manier.

Tuintherapie kan mogelijk een waardevolle, complementaire interventie (geen alleenstaande behandeling op zichzelf!) zijn binnen bestaande behandelingen voor anorexia nervosa.

De studie kent echter beperkingen. Zo gaat het om een pilootstudie met een kleine steekproef, waarbij enkel de effecten op korte termijn werden gemeten. Een grotere steekproef en onderzoek naar langetermijneffecten zijn nodig om meer uitsluitsel te geven. De resultaten zijn dus veelbelovend, maar voorlopig.

Het olfactorisch systeem en anorexia

De olfactorische identificatietest (waarbij de meisjes 12 geuren moesten herkennen en benoemen) was misschien wel een van de meest innovatieve onderdelen van deze studie. Maar wat was de logica hierachter?

Waarom een olfactorische (geur)test bij anorexia nervosa?

Bij anorexia nervosa van het restrictieve type treden, zeker bij ernstige ondervoeding, vaak veranderingen op in de zintuiglijke waarneming, waaronder de reukzin. Hoewel de resultaten in de literatuur niet altijd eenduidig zijn, wijzen verschillende studies op specifieke effecten in de verwerking van geur en smaak:

  • Sterk ondervoede patiënten kunnen een verminderde gevoeligheid hebben voor geuren (verhoogde detectiedrempel) en moeite hebben met het onderscheiden van geuren.
  • Geuren die normaal als aangenaam worden ervaren, vooral voedselgeuren, roepen vaak minder of geen plezier op.
  • Voedselgeuren, die bij gezonde personen het beloningssysteem activeren, kunnen bij patiënten met anorexia juist stress- of angstreacties uitlokken, onder andere via activatie van de amygdala. Geurprikkels worden dan niet als belonend, maar als bedreigend ervaren, bijvoorbeeld door de associatie met controleverlies.
  • Geuren zijn bovendien sterk gekoppeld aan emoties, herinneringen en eetlustregulatie.
  • Sommige studies rapporteren daarentegen een verhoogde gevoeligheid voor bepaalde geuren bij jongere patiënten, mogelijk gerelateerd aan verhoogde alertheid voor voedselprikkels.
  • Deze veranderingen kunnen samenhangen met ondervoeding (bijvoorbeeld tekorten aan micronutriënten zoals zink, en tragere celvernieuwing van het reukepitheel) en met veranderingen in neurologische processen (zoals een verstoord beloningssysteem of verhoogde amygdala-activiteit).

De onderzoekers wilden daarom niet alleen psychologische vragenlijsten en fysiologische stressparameters meten, maar ook een objectieve zintuiglijke maat opnemen die mogelijk beïnvloed wordt door tuintherapie. Vandaar de keuze voor een olfactorische test.

Twee doelen van de geurtest

Doel A: evaluatie van de reukzin (olfactory sensoriality)

  • Voor de therapie: vaststellen hoe goed de deelnemers geuren herkennen (baseline van mogelijke stoornissen).
  • Na de therapie: nagaan of tuintherapie de reukzin beïnvloedt of verbetert.

Dit is relevant omdat tuintherapie een uitgesproken zintuiglijk karakter heeft, met nadruk op geur:

  • Er was een specifiek geurstation met aromatische planten en kruiden (lavendel, salie, citroenmelisse, basilicum…).

De hypothese was dat herhaalde, positieve blootstelling aan natuurlijke, niet-bedreigende geuren de olfactorische functie zou kunnen “trainen” of normaliseren, en mogelijk ook de relatie met voedselgeuren zou verbeteren (minder angst en aversie).

Doel B: meten van door geur opgewekte stress (induced stress)
Dit was het belangrijkste doel.

Geuren kunnen zeer snel emoties en autonome reacties oproepen via het limbisch systeem. Zoals eerder vermeld, kunnen bij anorexia vooral voedselgerelateerde geuren stressreacties uitlokken.

Daarom kregen de deelnemers 12 geuren aangeboden:

  • 6 eetbare
  • 6 niet-eetbare

Dit onderscheid is essentieel, omdat het toelaat te onderzoeken of de stressrespons specifiek is voor voedselgerelateerde stimuli.

Tijdens het ruiken werden gelijktijdig fysiologische stressparameters gemeten:

  • hartslag en hartslagvariabiliteit
  • huidgeleiding (zweetrespons)
  • gezichtsthermografie (bijv. temperatuurdaling ter hoogte van de neus door vasoconstrictie)

De test werd zowel vóór als na de interventie afgenomen:

  • vóór: hoe sterk is de stressrespons?
  • na: is deze respons veranderd?

Resultaat:
Alleen in de tuintherapiegroep werd een afname gezien van de stressreactie op geuren. Dit suggereert dat tuintherapie, en in het bijzonder de geur- en natuurcomponent, de reactiviteit op geurprikkels vermindert. Dit kan wijzen op een algemene daling van stress en een verbetering van emotieregulatie.

Kanttekening:
Het betreft een pilootstudie met een kleine steekproef (n=6 per groep). De olfactorische test was exploratief, maar innovatief doordat objectieve biologische metingen gecombineerd werden met een sterk zintuiglijke interventie.

Suggesties voor tuintherapeutische activiteiten bij anorexia (gebaseerd op deze studie)

1. Werken met planten

  • zaaien
  • verpotten
  • water geven
  • verzorgen van planten

Mogelijke effecten:

  • een gevoel van verantwoordelijkheid
  • een verschuiving van de focus naar iets extern (weg van lichaam/eten)

2. Geur (olfactorische stimulatie)

Werken met aromatische planten en kruiden (bv. munt, lavendel, rozemarijn…):

  • bewust ruiken
  • geuren benoemen en onderscheiden
  • associaties maken (herinneringen, emoties)

Mogelijke effecten:

  • directe invloed op het limbisch systeem
  • bevordering van ontspanning en emotieregulatie

3. Kleur (visuele stimulatie)

  • observeren van kleuren
  • kiezen van planten op basis van kleur
  • maken van kleurcombinaties

Mogelijke effecten:

  • gerichte aandacht (mindfulness)
  • beïnvloeding van stemming
  • esthetisch plezier

4. Vorm en structuur

  • observeren van bladvormen, bloemen en structuren
  • werken met natuurlijke materialen

Mogelijke effecten:

  • aandachtstraining (focus op details)
  • cognitieve betrokkenheid zonder prestatiedruk

5. Tactiele ervaring (voelen)

  • aarde aanraken
  • bladeren en planten voelen
  • werken met verschillende texturen

Mogelijke effecten:

  • sensorische grounding
  • vermindering van spanning en dissociatie
  • bevorderen van “in het moment” zijn

6. Creativiteit en expressie

  • maken van plantarrangementen
  • persoonlijke keuzes maken

Mogelijke effecten:

  • autonomie
  • zelfexpressie
  • gevoel van controle (relevant bij anorexia)

Hanteer best een multisensorische benadering

Binnen een multisensorische benadering hebben verschillende zintuigen elk hun eigen functie. Geur speelt een rol in directe emotieregulatie. Zicht, via kleur en vorm, ondersteunt aandacht en beïnvloedt stemming. Tast draagt bij aan grounding en ontspanning. Actie, het daadwerkelijk bezig zijn, zorgt voor afleiding en een gevoel van controle.

Samen dragen deze zintuiglijke componenten bij aan:

  • vermindering van psychologische stress
  • vermindering van fysiologische stress (via activatie van het parasympathisch zenuwstelsel)
  • reductie van piekeren en controlegedachten

Belangrijk psychologisch mechanisme

Bij adolescenten met anorexia is er vaak sprake van:

  • overcontrole
  • angst
  • cognitieve rigiditeit

Tuintherapie kan mogelijk:

  • de focus verschuiven van controle over het eigen lichaam naar zorg voor iets levends
  • werken zonder directe confrontatie met eten of gewicht
  • een veilige, niet-bedreigende context bieden

Samengevat

Een effectieve tuintherapeutische interventie bestaat uit onder andere:

  • actief tuinieren
  • bewuste, multisensorische ervaringen (ruiken, zien, voelen, kiezen, creëren)
  • doelgericht ontworpen sessies gericht op onder meer stressreductie en emotieregulatie
  • een professionele begeleiding

Referentie
Curzio, O. et al. (2022). Horticultural Therapy May Reduce Psychological and Physiological Stress in Adolescents with Anorexia Nervosa: A Pilot Study. Nutrients, 14(24), 5198.